Blog

  • Gastbijdrage: Liberale hoop uit Argentinië?

    Presidentskandidaat Javier Milei gaat de strijd aan met de overheid.

    (Artikel van Thomas Panis, arts-specialist en auteur van anti-woke kinderboek “Fet doet een Belofte”, zoals oorspronkelijk op 25 augustus 2023 gepubliceerd op Doorbraak.be.)

    Javier Milei won op 13 augustus de voorverkiezingen van zijn partij in Argentinië. Hij heeft nu een reële kans om verkozen te worden tot president in oktober, maar in de media wordt hij intussen afgedaan als extreemrechts. Voor liberalen is Milei een sprankeltje hoop in een wereld die steeds meer afglijdt naar het collectivisme.

    Het Argentijnse economische beleid van de afgelopen decennia functioneerde zodanig slecht dat de bevolking alle vertrouwen in haar eigen munteenheid (de peso) verloren heeft. Volgens de Spaanse econoom Daniel Lacalle bedraagt de Argentijnse jaar-op-jaarinflatie intussen meer dan 100 procent. De centrale bank drukte ontzettende hoeveelheden geld bij om de socialistische agenda van de machthebbende Peronisten te kunnen betalen. De Peronisten zijn een Argentijnse politieke strekking met een links economisch programma.

    Argentijnen proberen hun pesos zo snel mogelijk om te zetten in goederen, dollars of goud. De samenleving staat onder druk omdat bedrijven niet in staat zijn te functioneren met zoveel economische onzekerheid. In 2020 kon Argentinië haar schulden voor de zoveelste keer niet aflossen en moest het weer eens steun vragen bij het Internationaal Monetair Fonds.

    Presidentsverkiezingen

    In oktober wordt een nieuwe president gekozen en kunnen de Argentijnen beslissen of ze het over een andere boeg willen gooien. De meest opvallende kandidaat is de flamboyante Javier Milei van de partij ‘La Libertad Avanza’ . Hij is de tegenpool van het huidige linkse politieke establishment, en gekend om zijn vurige speeches en interviews waarin hij linkse politici en ideeën frontaal aanvalt. Nu hij de voorverkiezingen van zijn partij gewonnen heeft, maakt Milei een goede kans om president te worden.

    In zijn jeugd was hij semi-professioneel voetballer en speelde hij in een rockband. Mileis wilde haardos leverde hem de bijnaam ‘el Peluca (de Pruik)’ op. Hij zou ook populair zijn bij de jeugd en heeft een economische podcast ‘Demoliendo Mitos’. Geboren in 1970 tijdens een periode van hyperinflatie zou Milei al op twaalfjarige leeftijd interesse krijgen in economie. Na het lezen van een boek van de econoom en filosoof Murray Rothbard zou hij in 2014 een passie krijgen voor libertaire gedachten.

    Linkse elite

    Door de media wordt Milei vaak omschreven als extreemrechts. Deze term omvat voor de overwegend linkse journalistieke elite iedereen die niet meeloopt in het grote socialistische, progressieve verhaal, en is dus niet veelzeggend. Hem wegzetten als een praatjesmaker of een populist is ook moeilijk te verdedigen.

    Als professor economie is Milei aanhanger van de Oostenrijkse economische school, de grote vijand van alle vormen van links of rechts collectivisme. Hij gaf les en schreef tientallen academische papers. Zijn economische en politieke ideeën zijn dan ook geen uit de lucht gegrepen fantasieën, maar doordachte concepten met een lange intellectuele traditie.

    Economisch programma

    Zijn voorstellen zijn een droom voor liberalen. Milei wil de overheid doen krimpen door onder andere tien van de achttien ministeries af te schaffen. De overblijvende overheidsdiensten moeten flink besparen. Staatsbedrijven en de gezondheidszorg moeten grotendeels worden geprivatiseerd. Arbeidsregulering moet worden versoepeld zodat bedrijven gemakkelijker werknemers kunnen inhuren en ontslaan.

    Ook de pensioenen en de werkloosheidsuitkeringen moeten worden hervormd om werken aantrekkelijker te maken. Het schoolsysteem zou meer concurrentie en keuzevrijheid moeten bieden aan ouders. Het belastingsysteem moet worden vereenvoudigd.

    Geldmarkt

    Op monetair gebied wil Milei op termijn de geldmarkt liberaliseren: mensen zouden kunnen werken met onder andere buitenlandse valuta, goud of bitcoin. Hij wil ook het concept van ‘fractionele reserve’ verbieden voor eenvoudige bankrekeningen (niet voor investeringsbanken). Dat is het systeem waarbij de banken meer geld mogen uitlenen dan ze bezitten en zo geld creëren vanuit het niets.

    Uiteindelijk zouden alle hervormingen moeten leiden tot het verdwijnen van de Argentijnse peso en de centrale bank. De overheid zou in dat geval haar schulden niet meer kunnen afbetalen door inflatie te veroorzaken en zo het geld van de burgers waardeloos te maken. Deze inperking van de staatsmacht over het monetair beleid zou een enorme rem zijn op de inmenging van de overheid in het dagelijks economisch leven van de Argentijnse burgers.

    Door de lamentabele staat van de Argentijnse economie en de beperkte reserves aan harde valuta wordt de implementatie van deze monetaire plannen geen eenvoudige zaak. Waarschijnlijk staan de Argentijnen open voor deze radicale ideeën door de enorme inflatie en economische malaise van de afgelopen jaren.

    Liberale hoop

    Wordt de volgende president van Argentinië een libertair en zelfverklaard anarchokapitalist? We zullen het in oktober weten. Een overwinning van Milei zou alleszins hoop geven dat een liberale ommekeer mogelijk is in samenlevingen die economisch wegzakken door jarenlang socialistisch beleid en monetaire inflatie.

  • Artikel: Het Chinese dilemma

    China zit in de val. Hun politiek model staat economische groei in de weg.

    (Artikel door professor Marc De Vos, oprichter Itinera Institute en laureaat Prijs voor de Vrijheid 2019, zoals oorspronkelijk gepubliceerd in Trends van 24 augustus 2023.)

    hina is een referentie. Geen enkel land is er ooit in geslaagd in zo’n korte tijd zoveel mensen zoveel rijker te maken. In veertig jaar tijd is een verpauperde reus getransformeerd in een krachtige wereldmacht. De op één na grootste economie en het land met het op één na grootste defensiebudget ter wereld, met een middenklasse van meer dan 700 miljoen Chinezen. Een wereldleider in moderne technologie, de grootste handelspartner voor meer dan 120 landen, het middelpunt van het grootse Aziatische reveil.

    Dit moest de eeuw van China worden, zelfs het decennium waarin de Chinese economie in omvang die van de Verenigde Staten zou voorbijsteken. Maar plots zit er sleet op de Chinese groeimachine: deflatie, massale jeugdwerkloosheid, muntontwaarding, teruglopende export, een dreigende schuldencrisis op de vastgoedmarkt – allemaal vertaald in koppig lage groeicijfers. China beleeft zijn versie van de bekende middeninkomensval: de proefondervindelijke vaststelling dat het moeilijk is, eenmaal armoede is ingeruild voor gemiddelde rijkdom, om door te stomen naar een ontwikkelde economie met hoge inkomens.

    China zit in de val omdat het de grenzen van zijn groeimodel heeft bereikt. Zowat 40 procent van de Chinese economie bestaat nog altijd uit de kapitaalsuitgaven – onroerend goed, openbare werken, bedrijfsinfrastructuur – die kenmerkend zijn voor het opstaan uit de armoede. Niet alleen is die groei voorbij, er is intussen al flink veel overcapaciteit, die als een molensteen om de nek van ontwikkelaars en lokale overheden hangt. De totale schuldgraad in China bedraagt bijna 300 procent van de hele economie, ongezond hoog voor een middeninkomensland, en het bewijs van een groeimodel dat zichzelf is voorbijgelopen.

    Naast de interne wederopbouw was externe export de tweede motor van de Chinese remonte. De combinatie van goedkope arbeid, efficiënte overheden en gigantische schaal, versterkt met het ongegeneerd stelen en kopiëren van westerse knowhow, maakte China tot de ‘fabriek van de wereld’. Niet meer. China was een godenkind van de globalisering, die op haar retour is. Investeren en produceren in China is nu een geopolitiek risico dat veel landen en bedrijven willen afbouwen. Goedkoop is het land ook al niet meer.

    Het einde van de globalisering is nog geen klein beetje te wijten aan de politieke koers die China vaart onder president Xi. Wie van de daken schreeuwt dat het Chinese maatschappijmodel superieur is, wie oreert dat het Westen tot verval is gedoemd, wie Chinese staatsbedrijven kweekt om industriële en technologische sectoren mondiaal te domineren, wie handelspartners chanteert zodra ze kritiek hebben op het Chinese regime, moet niet verbaasd zijn dat westerse landen dat liever niet zelf financieren. Integendeel, die mag verwachten wat Amerika en Europa in toenemende mate doen: ontkoppelen van China, elders investeren, produceren of kopen.

    Het geheim van het Chinese groeimirakel was een slimme scheiding van politiek en economie. Communisme in de planning stoelde op bamboekapitalisme in de uitvoering: de mix van ondernemen, hard werken en slimme commercie die precommunistisch China door de eeuwen heen heeft gekenmerkt. Daartegen heeft Xi juist de strijd ontketend: eerst tegen corruptie of opzichtige rijkdom – het onderscheid is vaak politieke willekeur – dan tegen supersterbedrijven ten voordele van staatsbedrijven, dan brutaal tegen iedereen tijdens de pandemie.

    Hoe kan China schuldverslaving verbieden, markten onderdrukken, ongelijkheid bestrijden, bedrijven muilkorven en toch blijven rekenen op de ondernemers, de consumenten en de markten om risico te nemen, te investeren en te innoveren? Het Chinese politieke model staat de economische groei in de weg. Dat is het Chinese dilemma.

  • Artikel: Israël, maak een echte grondwet!

    De gematigde krachten in Israël van links en rechts moeten dringend de koppen bij elkaar steken om een helder geformuleerde grondwet te maken.

    (Dit artikel van prof. em. Boudewijn Bouckaert, erevoorzitter van Libera!, werd oorspronkelijk op 18 augustus 2023 gepubliceerd op de website Doorbraak.be.)

    Israël in crisis

    In een column in Trends stelt Marc De Vos dat het politieke conflict in Israël voor ons geen detail is. Historisch is de stichting van de staat Israël en het ermee gepaard gaande chronische Joods-Arabisch conflict het gevolg van wat wij Europeanen- met het Duitse naziregime veruit op kop- de Joodse bevolking hebben aangedaan. Voorts zien we Israël graag als een voorpost van de westerse beschaving en als een liberaal-democratisch zonnetje in de duistere Midden-Oosterse soep van dictatuur en corruptie. Mocht het politieke conflict in Israël verder ontaarden tot een soort burgeroorlog, dan staat de nu al wankele stabiliteit in de gehele regio nog meer op het spel.

    De weeffout in het bestel

    Naar loffelijke gewoonte bij onze mainstream-media wordt het conflict herleid tot een strijd tussen de goeden (de ‘liberale’ oppositie) en de slechten, de extreemrechtse regering, die een einde zou willen stellen aan het democratisch regime. Het ligt nochtans iets ingewikkelder. Het huidig conflict vindt onder meer zijn verre oorsprong in een weeffout in het Israëlische bestel. Dit land heeft immers geen echte grondwet. Nogal onbegrijpelijk voor een land met een bevolking van hoge gemiddelde intelligentie en talloze juristen, gezegend met diploma’s van de Amerikaanse Ivy League.

    Grondwet versus socialisme

    Nochtans, bij de stichting van de staat Israël in 1948 was er het vast voornemen om naar het voorbeeld van Noord-Amerikaanse en Europese staten tot een Grondwet te komen. Het lukte echter niet, niet alleen omwille van sterke politieke onenigheid, maar vooral omdat de aartsvader van de staat, David Ben-Goerion en voorman van de socialistische arbeiderspartij, van zo een grondwet, en vooral van rechterlijke controle op de naleving ervan, niets moest weten. Het is misschien nu al grotendeels vergeten, maar Israël werd bij zijn conceptie opgevat als een socialistische modelstaat, waarin collectieve landbouw in de Kibboetsiem de economische kern zou vormen. Ben-Goerion vreesde dat een Grondwet en de zogenaamde ‘judicial review’ stokken in de wielen van de socialistische opbouw zou steken zoals dat gebeurd was met de New Deal in de dertiger jaren in de Verenigde Staten. Daar had een conservatieve meerderheid in de Supreme Court een aantal New Deal-initiatieven afgeserveerd als ongrondwettelijk.

    Basiswetten als quasi-constitutie

    Is er dan helemaal niets? Toch wel. In de loop der jaren werden door de Knesset, het Israëlische parlement, zogenaamde Basiswetten gestemd, waarin kwesties worden geregeld die traditioneel ook in echte Grondwetten worden geregeld. Zo zijn er Basiswetten over het functioneren van de wetgevende macht, de verkiezingen, de regering, het leger, de status van de hoofdstad Jeruzalem, de mensenrechten en fundamentele vrijheden, de definitie van Israël als de natiestaat van het Joodse volk. De Basiswetten kunnen met een absolute meerderheid in de Knesset (61 op 120) worden gestemd maar ook worden gewijzigd. Hier zit het grote verschil met vele andere democratische landen, waar de totstandkoming van een grondwet en wijzigingen eraan slechts kan gebeuren via een procedure die veel complexer is dan het stemmen van een gewone wet. We spreken in die gevallen van een ‘onlenige’ grondwet.

    In de periode 1992-95 werd onder impuls van Aharon Barak, de voorzitter van het Hooggerechtshof, ook een rechterlijke controle ontwikkeld over de overeenstemming van de gewone wetten met de Basiswetten en over de ‘redelijkheid’ van regeringsbeslissingen.

    Netanyahu op institutioneel oorlogspad

    Door deze constitutionele cocktail is de politieke machine van Israël in een knoop geraakt. De regering Netanyahu, die niet alleen op de centrumrechtse Likoed partij steunt maar ook op radicaal-religieuze en ultranationalistische partijtjes, heeft nu met een flinterdunne meerderheid in de Knesseth een wet goedgekeurd waarbij het Grondwettelijk Hof de bevoegdheid wordt ontzegd om de regering op ‘redelijkheid’ te beoordelen en waarbij een door het Hooggerechtshof bepaalde strijdigheid van een wet met een Basiswet kan ‘overruled’ worden door een meerderheid in het Parlement. Het Hooggerechtshof zal zich, via ‘judicial review’ uitspreken over deze wet, maar komt in de bizarre situatie terecht dat het zich moet uitspreken over zijn eigen bevoegdheid. Keurt het Hooggerechtshof deze wet goed, dan knipt het zijn eigen vleugels af. Verwerpt het Hooggerechtshof deze wet, dan komt Israël terecht in een conflictsituatie tussen zijn hoogste politiek-juridische instellingen, zonder dat er een hogere instantie en een normatief kader is waarop men kan terugvallen.

    Een klare grondwet zonder juristocratie

    Het woord ’burgeroorlog’ valt regelmatig om het gevaar van deze crisis te typeren. Zo een vaart zal het niet lopen want de basale veiligheid van de Israëlische staat wil geen enkele Joods-Israëlische burger, van extreemlinks tot extreemrechts, in gevaar brengen. Maar de crisis is, behalve voor de extreemreligieuze partijtjes en aartsvijanden Hamas en Hezbollah, voor niemand goed. De gematigde krachten in Israël van links en rechts moeten dringend de koppen bij elkaar steken om te komen tot een klaar geformuleerde grondwet, waarin zoveel mogelijk vaag geformuleerde begrippen worden vermeden. Zet men teveel en te vage begrippen en formules, zoals bijvoorbeeld ‘redelijkheid’, in de grondwet dan dreigt, zoals in België, het gevaar van wat Mark Elchardus terecht als ‘juristocratie’ omschreef. Hoe men het draait of keert, een klare tekst rond dewelke een zo breed mogelijke consensus kan gevonden worden, werkt pacificerend op het bestel. Bij eindeloze discussies werkt de verwijzing naar de tekst van de Grondwet als een uiteindelijke ‘shortcut’ teneinde deze eindeloos lijkende discussies te beslechten en tot een besluit te komen. Zoals Marc De Vos zei, Israël is voor ons geen détail. Wil men tot vrede tussen naties in het Midden-Oosten komen dan is het vereist dat zo snel mogelijk de vrede in de natie Israël wordt hersteld. Zonder vrede binnen naties komt er immers ook geen vrede tussen naties.

  • Artikel: De zomer van Oekraïene

    De Amerikaanse politieke steun voor Oekraïne kan alleen maar tanen.

    (Artikel door professor Marc De Vos, oprichter Itinera Institute en laureaat Prijs voor de Vrijheid 2019, zoals oorspronkelijk gepubliceerd in Trends van 10 augustus 2023.)

    De zomer van 2023 moest de zomer worden van Oekraïne. Bewapend met westers wapentuig en getraind door Amerikaanse en Europese elitesoldaten, moesten twaalf brigades met in totaal meer dan 40.000 heldhaftige soldaten de Russische bezetter een lesje leren. Moesten, want tot op heden bijt Oekraïne vooral zijn tanden stuk op verdedigingslinies en landmijnentapijten die de Russen volgens vriend en vijand met kunde en ijver hebben aangelegd.

    Ten koste van veel mensenlevens en materieel heeft Oekraïne al enkele honderden vierkante kilometers grondgebied heroverd. Maar Rusland bezet zowat 160.000 vierkante kilometer, een gebied twee keer zo groot als de Benelux. Bij gebrek aan een sterke luchtmacht moet het Oekraïense leger zowaar de Eerste Wereldoorlog imiteren: de ingegraven vijand met artillerie bombarderen en dan manschappen en materieel er tegenaan gooien.

    Ik ben geen militaire expert en ik heb geen glazen bol. Ik lees dat de Russische verdediging alsnog kan breken als glas of kan worden doorprikt met een domino-effect op de logistiek voor grote delen van de Russische linie. Ik hoop en duim. Maar vooralsnog is de vaststelling dat de Russen veel sterker blijken te zijn in de verdediging dan in de aanval, dat Europa en de VS te lang hebben gewacht om Oekraïne de gevechtsvliegtuigen te gunnen waarmee het verdedigingslinies kan platgooien, en dat het front dreigt vast te lopen in een patstelling.

    Die nuchtere militaire realiteit spoort met de economische realiteit. Ondanks een ongeziene barrage van handelssancties, ondanks de boycot van Russisch gas en olie, ondanks het verbod op technologie- en wapenleveringen aan Rusland, blijft de Russische economie robuust en draait de wapenproductie op volle toeren. Waarnemers wijzen erop dat Rusland de oorlog financieel nog jaren aankan, dat de Russische economie intussen een echte oorlogseconomie is die ook de bevolking onderhoudt, en dat het internationale sanctiesysteem lekt als een zeef.

    Ook politiek en geopolitiek blijkt Vladimir Poetin weerbaarder dan velen hadden verwacht. Oekraïne, de Verenigde Staten en Europa moeten hemel en aarde bewegen om niet-westerse landen ook maar enigszins mee te krijgen in het sanctieregime tegen Rusland. China blijft Rusland de hand boven het hoofd houden. De Russische bevolking is monddood en biedt een diepe reserve aan manschappen die het Kremlin instant digitaal kan mobiliseren. De bizarre rebellie van de Wagner-militie keert zich zowaar tegen Europa, nu de verdreven huurlingen aan de grens met Polen amok maken.

    Tegen die achtergrond tikt de politieke klok in de Verenigde Staten, waar de presidentiële verkiezingscampagne voor de deur staat. Het is piek-Oekraïne: de Amerikaanse politieke steun voor Oekraïne kan alleen maar tanen onder de onvermijdelijke kritiek die een kiescampagne zal losweken. De VS hebben intussen voor bijna 77 miljard dollar aan militaire, humanitaire, financiële en veiligheidssteun voor Oekraïne op tafel gelegd. Hoe langer een doorbraak aan het front uitblijft, hoe pregnanter de politieke vraag of de Amerikaanse burger dit nog lang kan blijven betalen.

    De Europese Unie en Europese landen hebben ook al voor tientallen miljarden in de buidel getast. Maar onze capaciteit om Oekraïne een levenslijn van wapens, materieel en technologie te verzekeren, daalt zienderogen. We hebben noch de voorraden, noch de industrie, noch het reservevermogen tot nieuwe productie om de oorlogsinspanning van Oekraïne te onderhouden. Als de Amerikaanse steun verslapt, dreigt Rusland met een complete oorlogseconomie zowel in manschappen als in wapentuig ongenaakbaar. Ondertussen wacht Poetin geduldig op oorlogsmoeheid, misschien zelfs op Donald Trump. Laat de zomer aan het front maar lang duren.

  • Artikel: Israël is geen detail

    Israël is geen detail. Het is een zionistische compensatie voor eeuwen antisemitisme. Een symboolstaat met Bijbelse aspiraties. Het hartland voor Joodse gemeenschappen wereldwijd. De enige democratie in het Midden-Oosten. Een westers eiland in een Arabische en islamitische oceaan. Een formidabele militaire mogendheid en een veiligheidspartner voor Amerika en Europa. Een grootmacht in technologie, wetenschap en cultuur. Wat zich dezer dagen in Israël afspeelt, verdient dus veel meer aandacht in onze contreien.

    (Artikel door professor Marc De Vos, oprichter Itinera Institute en laureaat Prijs voor de Vrijheid 2019, zoals oorspronkelijk gepubliceerd in Trends van 27 juli 2023.)

    Israël is ook een bezettingsmacht, zowaar een democratie die buitenlands grondgebied bezet en een bevolking onderdrukt die naar internationaal recht tot een Palestijnse staat behoort. Een gemilitariseerd land met een verplichte legerdienst van 32 of 24 maanden voor respectievelijk mannen en vrouwen van Joodse origine, en met bijna een half miljoen actieve reservisten. Een seculiere staat met een almaar grotere minderheid religieus orthodoxen en ultraorthodoxen, gevoed door immigratie en hoge geboortecijfers.

    In die broeierige mix van religie, identiteit, demografie, geografie en geweld gooit de zoveelste regering-Netanyahu een politieke clusterbom. Ook in Israël heerst de democratische decadentie van polarisering en versnippering. De regering is er een coalitie met ook ultranationalistische en ultraorthodoxe joods-religieuze partijen. Juist die meerderheid wil nu het Israëlische Hooggerechtshof beperken in zijn mogelijkheid om wetten ongrondwettig te verklaren. Ze wil ook meer politieke zeggenschap bij de benoeming van rechters. Gaat Israël daarmee inderdaad Hongarije en Polen achterna en zet de Joodse staat de eerste stap op het hellend vlak naar een antiliberale democratie?

    Wat belet de democratisch verkozen meerderheid in Israël te doen wat ze zou willen maar niet mag van politiek onafhankelijke rechters? Waarnemers wijzen op twee gevaren. Op binnenlands gebied kan de ultraorthodoxe minderheid het joodse equivalent van islamisme nastreven: een samenlevingsmodel waarbij de religieuze voorschriften mogen primeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om uitzonderingen op de verplichte legerdienst of om de discriminatie van anders-religieuze groepen. Op buitenlands niveau zou een hardvochtige regering de Palestijnen harder kunnen onderdrukken, ongeremd door juridische normen en waarden.

    Kan Israël een seculiere rechtsstaat blijven, als een steeds groter deel van zijn bevolking religieus fundamentalistisch wordt? Kan Israël een gezonde democratie blijven, als de bezetting van de Palestijnse gebieden steeds minder zelfbescherming en steeds meer expansie wordt? Ziedaar de existentiële vragen die een weinig spectaculaire justitiehervorming transformeren in een strijd om de ziel van Israël. Het Israëlische Hooggerechtshof kan wetten of regeringsbesluiten verbieden wanneer het die ‘onredelijk’ acht. Je hoeft niet Orban of Poetin te heten om je af te vragen of de vlag van ‘onredelijkheid’ geen lading dekt die zo ruim en flexibel is dat ze neerkomt op de wil van niet-verkozen rechters.

    Activistische rechters zijn geen hersenspinsel. Ze bestaan vooral door overregulering. Hoe meer regels, rechten en plichten, hoe minder ruimte voor democratie en hoe meer ruimte voor juridisering. Denk maar aan het klimaat, stikstof of migratie: stuk voor stuk terreinen voor zeer legitieme politieke discussies, die per saldo door juridische procedures worden beslecht (Ineos, iemand?). Maar Israël is speciaal: het land heeft geen geschreven grondwet, geen mensenrechtenverdrag, geen tweede kamer, een louter ceremoniële president. Israël heeft een tekort aan machtsverdeling, de institutionele checks-and-balances van een moderne democratische rechtsstaat. Het Hooggerechtshof staat er helemaal alleen tegenover de partijpolitiek. Betogen maar.

  • Artikel: Pensioenmoeheid

    Jongere generaties zijn de pineut van de zoveelste mini-pensioenhervorming.

    (Artikel door professor Marc De Vos, oprichter Itinera Institute en laureaat Prijs voor de Vrijheid 2019, zoals oorspronkelijk gepubliceerd in Trends van 13 juli 2023.)

    De regering-Vivaldi telt drie ex-ministers van Pensioenen die in vorige legislaturen hun tanden stuk beten op het aanpassen van ons pensioensysteem aan de realiteit van de demografische vergrijzing. Pensionerende babyboomers met hoge levensverwachting hebben intussen de falende politiek ingehaald. Elk jaar stijgen de pensioenuitgaven met 2 tot 3 miljard euro, een belangrijke factor in de dieprode ontsporing van de begroting. Vivaldi moet dweilen met de kraan open. Hoe moeten we haar pensioenhervorming evalueren?

    De eerste vaststelling is dat deze regering doet wat gemakkelijk is. Ze tekent voor betere minimumpensioenen en voor een pensioenbonus bij langer werken. Ceci n’est pas une pensioenhervorming, maar een pensioenverhoging. Op zich zal de uitgavengroei in de pensioenen daarmee nog versnellen: het omgekeerde van wat budgettair nodig is. Om die impact te verzachten voor een kritische Europese Commissie – en ook voor de financiële markten die onze labiele overheidsfinanciën met argusogen volgen – wordt symbolisch geraakt aan de perequatie van de ambtenarenpensioenen en het parafiscale statuut van aanvullende pensioenen in de privésector. In beide gevallen zal dat vooral de hoge pensioenen treffen.

    De tweede vaststelling is dat deze regering niet doet wat je ervan verwacht. We leven in het decennium waarin de pensionering van de babyboomers enorm aanzwelt. Je verwacht dan dat we alles zetten op de laatste resterende handvatten voor een pensioenhervorming in de babyboomgeneratie zelf: het uitrekken van de loopbanen. Dat betekent ook een pensioenmalus voor wie vrijwillig vroeger stopt, een beperking van de periodes van inactiviteit die tellen als loopbaanjaren en het stoppen van gunstregimes voor vroegtijdig pensioen in allerlei niches van publieke tewerkstelling. Allemaal al lang bepleit in nationale en internationale studies. Niets daarvan in de actie, andermaal.

    De zoveelste mini-pensioenhervorming verbergt groeiende veranderingsmoeheid. De federale politiek zit in een catch 22. Enerzijds vinden we nooit de pragmatische consensus dat langer leven langer werken betekent voor het behoud van een genereuze sociale zekerheid, waardoor we geen nieuwe loopbaancultuur bouwen. Anderzijds dwingt de begrotingswerkelijkheid ons steeds meer tot bijschaven in de marges, zonder dat het pensioensysteem in combinatie met een loopbaanbeleid in een stabiele nieuwe plooi valt. Elke marginale hervorming vergroot de complexiteit en stookt het verzet bij deze of gene belangengroep, waardoor een definitieve grote hervorming tegelijkertijd steeds onmogelijker en dringender wordt.

    De impact van de vergrijzing op de pensioenen wordt al decennialang aangekaart, de oplossingen al meer dan twintig jaar, vooral tevergeefs. De Vivaldi-coalitie heeft het pensioendebacle niet geërfd, maar draagt er wel aan bij. Met een onbesuisde en te vrijblijvende verhoging van minimumpensioenen, ook voor zelfstandigen. Met een pensioenbonus voor wat eigenlijk normaal moet zijn of worden: werken tot de effectieve pensioenleeftijd. Met een roekeloze projectie van verwachte pensioenuitgaven tot, godbetert, 2070, terwijl niemand zover in de toekomst kan kijken. We dobbelen met de toekomst van de sociale zekerheid.

    De jongere generaties blijven de pineut bij wie de last van de vergrijzing blijft liggen, elke jaarbegroting na elkaar. In plaats van twee jongeren per gepensioneerde vandaag gaan zij die last moeten torsen met zowat vier jongeren voor drie gepensioneerden. Elke euro die naar de pensioenen gaat, kan niet gaan naar migratie, integratie, klimaat, infrastructuur, defensie, industrie, welzijn, zorg, armoede of justitie. Pensioenmoeheid in het heden organiseert budgettair het kannibalisme van de toekomst door het verleden.

  • Artikel: Van mobocratie naar autocratie

    De grote verantwoordelijkheid van burgerlijk links en rechts.

    (Dit artikel van prof. em. Boudewijn Bouckaert, erevoorzitter van Libera!, werd oorspronkelijk op 5 juli 2023 gepubliceerd op de website Doorbraak.be.)

    Douce France, cher pays de violence…

    Frankrijk verschijnt in dit zomerbegin als hemel en hel. Als hemel wanneer we via het Tv-scherm meefietsen met het wielerpeloton langs de prachtige landschappen, statige kastelen, kunstige kathedralen, wanneer we onze blikken laten glijden over het van gezondheid blakende en licht getaande publiek langs de weg dat zijn vakantieplezier uitschreeuwt als nutteloze steun voor hun gekozen favoriet. Frankrijk is Europa op zijn best met de harmonieuze combinatie van natuur en cultuur wat van ons continent ongetwijfeld het mooiste van de wereld maakt.

    Maar Frankrijk is deze dagen ook hel. Onze blikken glijden ook met afschuw langs de straten in de grootsteden, bezaaid met uitgebrande personenwagens en autobussen. Op televisiebeelden zien we hoe de ingangen van grootwarenhuizen worden geramd met gestolen wagens en hoe het allochtone proletariaat van de Franse steden zich ongegeneerd bedient, meestal met luxeartikelen uit de uitstalramen. Niets wordt gespaard: bibliotheken, scholen, klinieken, politiekantoren, gemeentehuizen, alles moet de fik in.

    La France Insurrectionelle

    Profetische gaven zijn niet nodig om de ritueel-victimistische verklaringen voor deze destructieve orgie te voorspellen. De Morgen, De Standaard, Knack zullen het zoals steeds hebben over de achterstelling van deze bevolking, het racisme van de politie, de ongelijkheid in de samenleving. Wie van een paroxisme in dit soort verklaringen wil genieten, moet even naar het interview met de Franse rode leider Luc Mélenchon luisteren. Volgens hem zijn de plunderingen de schuld van ‘de rijken’ die niet met de verongelijkte drommels van de ‘banlieues’ willen samenleven. Mélenchon is voorzitter van ‘La France Insoumise’. Een naamwijziging ‘La France Insurrectionelle’ zou gepast zijn.

    Mobocratie

    Het Franse fenomeen laat zich best omschrijven als een mobocratische ontsporing van Islamo-links. Van mobocratie (‘the rule of the mob’) is sprake wanneer ogenschijnlijk spontane massabewegingen, voornamelijk in steden, een ongelimiteerde terreur ontwikkelen naar de gevestigde orde. Daarbij wordt elke publieke en sociale discipline losgelaten. Men vernielt, steelt, verwondt, verkracht en vermoordt op een willekeurige manier. De momentane leider van de bende bepaalt ‘on the spot’ wie het slachtoffer zal zijn en aan welke terreur hij of zij zal onderworpen worden. Daarbij worden de normale ethische kwalificaties die men aan terreur geeft omgedraaid. Plunderen noemt men dan ‘extreme shopping’, het in elkaar slaan van burgers wordt dan ‘de uitoefening van de volksgerechtigheid’, het vernielen van infrastructuur wordt dan ’de afbraak van de repressieve staat’.

    De Franse mobocratische ontsporing is niet uniek in de geschiedenis. De volkse basis van links, geïndoctrineerd met het idee dat eigendom diefstal is, dat rijken criminelen zijn, dat ordediensten knechten van het kapitaal zijn of erger nog, fascisten zijn, brengt niet steeds het geduld op dat hun georganiseerde leiding van hen vraagt en zal, als er geschikte aanleidingen zijn, de daad bij het woord voegen en spontaan beginnen te onteigenen, de luxe en de statussymbolen van de ’bourgeoisie’ vernielen en ‘volksgerechtigheid’ toepassen op (vermeende) volksvijanden. De mobocratische ontsporingen in de geschiedenis eindigden dikwijls op dezelfde wijze: de instelling van een autocratisch regime, waarbij de democratie voor jaren naar de zolder verhuisde.

    Zonder de belangrijke historische verschillen te negeren, kunnen we een gelijkaardig patroon zien in de gebeurtenissen in het Italië van 1919-1920, het Spanje van 1936, het Chili van 1970-1973.

    ‘Biennio Rosso’ in Italië

    De jaren 1919-1920 staan gekend als de rode jaren in Italië. Linkse milities van landarbeiders trokken in de Povlakte van boerderij naar boerderij om daar de eigenaars met geweld te verdrijven en bezit te nemen van de ’latifundia’. In de industriesteden zoals Milaan en Turijn namen bedrijfsraden van arbeiders de controle over door bezetting. Dit niet om betere arbeids- en loonsvoorwaarden af te dwingen, maar wel om de bedrijven van hun eigenaars af te nemen en ‘arbeiderscontrole’ in te stellen. De chaos die eruit voortvloeide ergerde niet alleen de getroffen eigenaars maar ook grote delen van de bevolking. De klassieke vakbonden deden hun best om wat orde te brengen in de beweging maar dikwijls tevergeefs. De brave burgers deden dan maar beroep op de ‘Fasci Italiani di Combattimento’, de knokploegen van de ex-socialist Mussolini. Zij slaagden dikwijls, waar de politie niet in slaagde, namelijk de bezetters te verdrijven en de boerderijen en fabrieken aan hun eigenaars terug te geven. Twee jaar later waren de fascisten aan de macht in Italië.

    Anarchosyndicalisme in Spanje

    In 1936 kwam een volksfront van linkse partijen aan de macht in Spanje. Een belangrijke fractie in deze coalitie werd gevormd door de Federacion Anarquista Iberica (FAI) met de daaraan gelieerde anarchosyndicalistische vakbond Confederacion Nacional de Trabajo (CNT). Deze fractie had een sympathieke kant, namelijk het verzet tegen het bureaucratisch communisme. Anderzijds oefenden hun milities op een totaal willekeurige wijze geweld uit in het republikeinse gebied. Ook hier werden boerderijen en bedrijven bezet en willekeurig onteigend, duizenden mensen met rechtse sympathieën, priesters en nonnen werden standrechtelijk geëxecuteerd. Alhoewel meer gedisciplineerde linkse krachten zoals de socialistische en communistische partijen hun best deden om de willekeur van FAI/CNT te beteugelen dreef hun actie veel burgers in het kamp van Franco’s nationalisten, die in 1939 de burgeroorlog wonnen en tot 1976 aan de macht bleven.

    MIR-terreur in Chili

    In Chili werd, na de verkiezingsoverwinning van Allende in 1970, de vroegere guerilla-beweging Moviemente de Izquierdia Revolucionaria (MIR) gelegaliseerd. Ook deze beweging ging volledig willekeurig te werk. Tussen november 1970 en december 1971 ‘onteigenden’ zij 1458 boerderijen. Zij reden met vrachtwagens, volgeladen met ‘strijders’ rond en zetten de eigenaars uit hun bedrijf. Wie weerstand bood, werd neergeknald. Allende legde de MIR geen strobreed in de weg. Hun acties hebben veel bijgedragen tot de aanvankelijke sympathie bij een groot deel van de bevolking voor de staatsgreep van Pinochet, die aan de macht bleef tot 1990.

    Weerbare democratie

    Met deze drie historische voorbeelden in het achterhoofd zou de explosie van mobocratisch geweld in Frankrijk de politici van de ‘burgerlijke’ partijen aan het denken moeten zetten. Als zij dit verder laten betijen hebben we binnen een paar jaar geen democratie meer maar een soort Poetinistisch regime, waarin recht en orde, politioneel optreden en een ‘big brother is watching you’- geheime dienst de voornaamste politieke goederen zijn geworden. Wil men dit voorkomen dan zijn doortastende maatregelen nodig, zoals strengere repressie van geweld, inhouden van sociale uitkeringen bij deelname aan rellen, sterkere integratievereisten voor nieuwkomers, een sterkere migratiestop en nadenken over geografische spreiding van allochtone bevolking om broeihaarden van geweld zoals de banlieues’ te vermijden.

  • Artikel: Structurele onverantwoordelijkheid van politici

    Politici tonen collectief onvoldoende verantwoordelijkheid omdat ze individueel onvoldoende verantwoordelijkheid dragen.

    (Artikel door professor Marc De Vos, oprichter Itinera Institute en laureaat Prijs voor de Vrijheid 2019, zoals oorspronkelijk gepubliceerd in Trends van 6 juli 2023.)

    De vaststelling is al tot in den treure gemaakt: het politieke bedrijf in België vergt steeds meer energie voor steeds minder resultaat. Toch ken ik veel politici als talentvol en hardwerkend. Hun fascinatie met de oppervlakkige waan van de dag, opgejaagd door klassieke en sociale media, is soms onvrijwillig, soms obsessief. Ze delen vaak de frustratie en, met de jaren, het cynisme over het onvermogen van ons democratisch bestel, hoewel ze daar finaal ook zelf aan bijdragen.

    Als het niet in de eerste plaats aan de politici zelf ligt, wat zijn dan structurele oorzaken van de onmacht van onze politieke macht? Ik voel veel voor de thesis dat politici collectief onvoldoende verantwoordelijkheid tonen omdat ze individueel onvoldoende verantwoordelijkheid dragen. Daarbij wordt vooral gekeken naar onze complexe staatsstructuur die de bevoegdheden oeverloos verdeelt. Wanneer iedereen bevoegd is, is er uiteindelijk niemand verantwoordelijk. Ergo georganiseerde onverantwoordelijkheid.

    Je kunt die logica doortrekken naar die andere staatshervorming: de Europese. De overdracht van belangrijke bevoegdheden aan de Europese Unie heeft de Belgische politiek deels leeggezogen of gedegradeerd tot een uitvoerder van Europese directieven. In beide gevallen krimpt het speelveld van de Belgische democratie. Minder sérieux geeft meer theater. Daarenboven is Europa een nuttig schild tegen de nefaste gevolgen van politieke onverantwoordelijkheid. Zonder de euro waren onze begrotingen nooit zover ontspoord als nu, want dan waren de Belgische frank en onze nationale kredietwaardigheid al lang door de financiële markten gekelderd.

    Dan is er de vergaande versnippering van de politieke partijen. Daardoor is zowat elke mainstreampartij tegelijkertijd in existentieel gevaar en essentieel voor de politieke stabiliteit. Koppel overlevingsdrang aan politieke onmisbaarheid en je krijgt systematische onverantwoordelijkheid. Als regeringsdeelname gelijkstaat met overlevingsstrijd, dan telt de perceptie van scoren meer dan de realiteit van besturen, en de veronderstelde achterban meer dan het algemene belang. Als de partijpolitiek versplintert, dan zijn partijen constellaties van concurrerende dogma’s zonder ruimte voor een beleidscompromis. Klinkt herkenbaar?

    Bovenal produceert onze partijpolitiek onverantwoordelijkheid doordat we geen federale politieke partijen kennen. Regionale partijen kunnen zich met totale hallucinaties laten verkiezen. In Vlaanderen met hervormingsdromen die Wallonië nachtmerries vindt, in Wallonië met uitgavenfeesten die Vlaanderen doen steigeren. Ideologische partijversnippering is erg. In combinatie met regionalisering is ze dramatisch. Daarin is onze structurele onverantwoordelijkheid overigens rationeel. De grote sociaal-economische verschillen tussen de regio’s vergen eigenlijk verschillend beleid per regio. Vermits dat federaal niet mogelijk is, tenzij een van de regio’s verliest, regeert vooral de stilstand.

    Dan maar hopen op het parlement, toch nog altijd de wetgevende macht. Alleen hangt die aan de touwtjes van de particratie. Partijbonzen bepalen de lijsten en beheren de middelen. De gelukkig geplaatsten wacht de kadaverdiscipline die de ontvlambare partijversnippering en het federale koorddansen vergen. Ook het parlement en de parlementariërs zijn daarmee structureel onverantwoordelijk gemaakt. De gevolgen daarvan zien we elke week op de buis.

    We zouden kunnen hopen op een sturende ambtenarij, maar dat is niet onze traditie. Op het sociaal overleg, maar ook dat is in onverantwoordelijkheid verzand. Op de kiezer zelf dan maar? Geconfronteerd met te veel keuzes en te weinig impact gedraagt die zich zoals al de rest. Incentives tellen. De onze stimuleren onverantwoordelijkheid, structureel.

  • Artikel: Geef die Vlaamse culinaire centen gewoon terug aan de belastingbetaler

    Iedereen moet voortaan beseffen dat de Vlaamse eetcultuur er is dankzij de overheid, niet dankzij hardwerkende ondernemers die elke dag het beste van zichzelf geven. Al het geld voor het geplande Vlaams Culinair Centrum moet weer worden opgehoest door wie werkt of onderneemt.

    (Artikel door Peter De Keyzer, managing partner van Growth Inc. en laureaat van de Prijs voor de Vrijheid 2014, zoals gepubliceerd op 29 juni 2023 op “Made In”.)

    Waaraan denkt u spontaan wanneer u de uitdrukking ‘Vlaams Culinair Centrum’ hoort? Dat hangt ervan af aan wie je het vraagt.

    Gentenaars denken allicht onmiddellijk aan hun thuisstad – een echt Culinair Centrum met de lekkere streekgerechten zoals waterzooi, een prachtig middeleeuws decor en gezellige restaurants. Een Antwerpenaar ziet de Koekenstad ongetwijfeld als het enige echte Vlaams Culinair Centrum. Meerdere sterrenrestaurants, een diverse werelddkeuken en zelfs een driesterrenrestaurant op het dak van het MAS. Nog anderen zullen spontaan Kruisem noemen, de thuisbasis van het wereldberoemde Hof van Cleve. Of toch misschien Breendonk, waar de Duvel rustig rijpt langs de A12.

    Allemaal verkeerd – alvast volgens de Vlaamse regering. Volgens nieuwsberichten plant die namelijk zélf een Vlaams Culinair Centrum. Volgens haar wordt dit “dé ontmoetingsplek voor al wie gepassioneerd bezig is met voeding.” Het Centrum zou eerst in Brugge komen, maar zal uiteindelijk neerstrijken in Antwerpen. Kostprijs: 39 miljoen euro. Zodat iedereen voortaan beseft dat de Vlaamse eetcultuur er is dankzij de overheid, niet dankzij hardwerkende ondernemers die elke dag het beste van zichzelf geven.

    Is het echt een taak van de overheid om een dergelijk centrum op te richten? Is dat echt waar het geld van het corona-relancefonds het best besteed is?

    Politici wringen zich in bochten om te bewijzen dat een culinair centrum wel degelijk een overheidstaak is. Elk van die argumenten kan je net zo goed gebruiken om te verklaren waarom de overheid een muziekfestival moet organiseren, een bioscoop moet openen of een restaurantketen moet uitbaten. Vooraleer sommige politici al op ideeën komen: al die voorstellen zijn geen taak voor de overheid. De overheid moet zich vooral toeleggen op haar kerntaken.

    Bovendien: hoe groter de overheid wordt, hoe minder vrijheid er overblijft voor burgers en ondernemingen. Elke extra rol die de overheid voor haar rekening neemt, vereist extra belastingen. Geld dat moet worden opgehoest door wie werkt, onderneemt, spaart of sterft. Meer middelen voor de overheid betekent dan ook per definitie minder middelen en dus minder vrijheid voor de burger.

    Een voormalig topambtenaar bij de Vlaamse administratie vertelde me ooit hoe de Vlaamse overheid in de wandelgangen wordt genoemd: “de Bancontact”. Geen project te klein of de overheid voorziet wel geld, premies of subsidies. Klinkt het goed, dan krijg je geld. De doelmatigheid van het bestede geld? Moet de overheid dit wel steunen? Komt nauwelijks aan bod…

    Vraag in een zaal vol bedrijfsleiders wie er géén subsidies krijgt van de Vlaamse overheid en je zal maar weinig handen omhoog zien gaan. Zelfs ondernemersorganisaties – altijd kritisch voor een te grote overheid en te hoge belastingen – staan vooraan in de rij wanneer de subsidies worden uitgedeeld. Door telkens hogere belastingen en een grotere overheid toe te staan, versmachten we echter langzaam alle privaat initiatief en ondernemerschap.

    Terug naar die 39 miljoen euro. Wat als we die nu gewoon eens teruggeven aan de rechtmatige eigenaars? Burgers en belastingbetalers. Het is hun geld. Laat hen dan ook beslissen wat ze ermee willen doen. Dat doen ze vandaag al. Burgers bepalen elke dag door hun gedrag welke producten, diensten of restaurants succesvol worden en welke verdwijnen. Toprestaurants staan aan de top dankzij talloze klanten die uit vrije wil veel geld neertellen om er te gaan eten. Niet dankzij de overheid. Burgers kunnen zélf goed genoeg bepalen wat de waarde is van producten, diensten of culinaire cultuur. Burgers zijn dan ook veel wijzer dan de overheid vreest – laat hen dan ook die keuzes maken.

    Geef die 39 miljoen dus gewoon terug aan burgers. Per Vlaming is dat een kleine 6 euro. Dat is een kleine friet met saus, een cervela en een pintje. Of die extra koffie in een sterrenrestaurant. Of twee pintjes op een festival. Of de lokale ambachtelijke kaas als borrelhapje voor de gasten thuis. Die beroemde Vlaamse eetcultuur wordt niet gemaakt door de overheid. Wel door de burgers van Vlaanderen zelf – achter het fornuis, in de brouwerij of met de benen onder tafel.

    Laat hen dan ook beslissen wat voor hen Culinaire Cultuur is. Geef hun geld zo snel mogelijk terug en laat hén beslissen wie de titel Vlaams Culinair Centrum verdient. Het sterrenrestaurant, de foodtruck, het festival, de ambachtelijke kaasmaker of de frituur. Geef dat geld terug aan de belastingbetaler, die zal dat veel beter besteden dan de overheid.

  • Artikel: Britten benutten kansen van Brexit onvoldoende

    Zeven jaar na het Brexit-referendum loont het de moeite om te kijken hoe het de Britten is vergaan. Kort samengevat hebben zij vooral geleden onder de nadelen van Brexit, zonder veel van de voordelen uit te buiten.

    (Dit artikel van Libera!-bestuurder Pieter Cleppe, hoofdredacteur van BrusselsReport, verscheen oorspronkelijk op 30 juni 2023 in Elsevier Weekblad.)

    De nieuwe hindernissen voor handel en reizen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie zijn een slechte zaak, en voor iedereen zichtbaar. Dat is ook waarom het aantal Britten dat voor een terugkeer in de EU zou stemmen, in peilingen nu een voorsprong van tot wel 20 procentpunt heeft op de tegenstemmers. Of dat politiek realistisch is, en of de EU bereid zal zijn het Verenigd Koninkrijk weer alle opt-outs te geven, is een andere vraag.

    Dat Brexit nieuwe handelsbelemmeringen zou opleveren, was altijd al bekend. Dat erkenden ook de meeste Brexiteers. De meer gematigden onder hen zagen Brexit steeds als de op één na beste optie. Voor hen was het optimale scenario dat de EU eindelijk zou luisteren naar de zorgen van de Britten, die ook breed gedeeld werden in de andere EU-lidstaten.

    Volgens Brexiteers zouden voordelen zwaarder wegen dan nadelen

    Brexiteers stelden dat de nadelen van Brexit zouden worden gecompenseerd door de voordelen. Behalve dat er wat geld uit de EU-begroting zou terugkomen, en dat de Britten meer controle zouden krijgen over het immigratiebeleid, wezen ze vooral op de toenemende handelsmogelijkheden buiten de EU, met als extra voordeel dat het Verenigd Koninkrijk niet langer verplicht zou zijn al die lastige EU-regels te accepteren. Daarvan had de Europese Commissie zelf toegegeven dat ze een probleem waren, toen ze in 2014 begon met haar agenda voor ‘betere regelgeving’, onder invloed van Frans Timmermans nog wel, de huidige Europese ‘klimaatpaus’ voor wie er nooit genoeg regulering lijkt te zijn.

    Als middel om de pas verworven Brexit-vrijheden te benutten, beloofde de Britse premier Rishi Sunak vorig jaar te beginnen met een ‘vreugdevuur’ waarin vele EU-regels zouden verdwijnen. Maar dat voornemen werd onlangs geschrapt. De belangrijkste reden was – naast een soort partij-overschrijdende regelzucht – simpelweg dat veel Britse bedrijven er niet op zaten te wachten. Zij hebben talloze investeringen gedaan om aan al die regels te voldoen, wat niet altijd geldt voor buitenlandse concurrenten.

    Het was dan ook altijd al duidelijk dat als de regelgeving in het Verenigd Koninkrijk fors zou gaan afwijken van het Europese, dat kwam door een Britse keuze om updates van EU-regelgeving niet langer te kopiëren. Ook al betekende het dat het een deel van de toegang tot de EU-markt zou worden opgeofferd. Een soortgelijke afweging moet Zwitserland nu maken. Dat land sloot voor verschillende sectoren bilaterale overeenkomsten met de EU over markttoegang in ruil voor het volgen van de Europese regelgeving, maar die lopen nu één voor één af. Pogingen tot een alomvattend raamakkoord zijn vooralsnog mislukt.

    Bescheiden divergentie in regelgeving

    Niettemin is het Verenigd Koninkrijk al begonnen aan afwijkende regelgeving, hoe bescheiden ook. Dat is zichtbaar in de context van de Britse toelating tot het handelsakkoord Comprehensive and Progressive Agreement for Trans Pacific Partnership (CPTPP), dat ongeveer een half miljard consumenten betreft, 15 procent van de opgetelde mondiale bruto binnenlandse producten (bbp’s).

    In feite heeft het Verenigd Koninkrijk al goede handelsovereenkomsten met negen van de elf CPTPP-landen, maar die had het nog niet met Maleisië, een belangrijke exporteur van palmolie. Inmiddels hebben palmolieproducenten te kampen met zware nieuwe EU-regelgeving om ontbossing tegen te gaan. Er is bewust voor gekozen de regelgeving van de EU hier niet te volgen, om de Britse plaats in het CPTPP veilig te stellen.

    Anders dan de EU accepteren de Britten simpelweg de regelgeving voor palmolie van hun handelspartners. Daarnaast erkennen zij een veel minder omslachtige vorm van certificering, waar ook kleinere Maleisische palmolieboeren aan kunnen voldoen – de Malaysian Sustainable Palm Oil (MSPO). De EU weigert die te erkennen, ook al heeft dit grote sociale gevolgen voor Maleisië. De Britten lieten ook nog het invoertarief voor palmolie onmiddellijk zakken van 12 naar 0 procent.

    Dit alles leidde tot protesten van groene activisten in het Verenigd Koninkrijk, maar hun reactie is kortzichtig. Zoals ook het World Wildlife Fund (WWF) aangeeft, is het rendement van de grond op palmolieplantages veel hoger dan bij cultivering van alternatieve gewassen, die ook meer druk leggen op het milieu. Het mag dan ook niet verbazen dat volgens geruchten de aanpak van de EU is ingegeven door protectionisme op verzoek van de Europese oliezadenlobby.

    Britse successen in contrast met Europees regelgevend ‘kolonialisme’

    De Europese houding bleef niet zonder gevolgen. Eind mei bevroren Indonesië en Maleisië eind mei de handelsbesprekingen met de EU. Ook met andere handelspartners heeft de EU moeite handelssuccessen te boeken. De gesprekken met het Latijns-Amerikaanse handelsblok Mercosur slepen zich maar voort en ook met Australië lukte het een paar weken geleden niet om een handelsakkoord te sluiten, vanwege de Europese weigering om Australische landbouwproducten meer markttoegang te geven. Het Verenigd Koninkrijk ondertekende daarentegen al eind 2021 een vrijhandelsovereenkomst met Australië.

    Misschien zullen deze bescheiden successen de Britten inspireren zich meer te richten op de kansen die Brexit biedt. In de EU zijn intussen tekenen van introspectie zichtbaar. De Duitse kanselier Scholz drong onlangs aan op een snelle afronding van handelsovereenkomsten ‘zonder kolonialisme’, na klachten van met name Afrikaanse landen dat de EU zich bezondigt aan ‘neokolonialisme en regelgevingsimperialisme’ wanneer zij meer handelsvrijheid koppelt aan eisen voor werknemersrechten, voedselveiligheid en klimaatbeleid. Naar verluidt dreigen deze landen zich tot China te wenden. Scholz stelde daarover dat ‘als we jarenlang zonder succes blijven onderhandelen over nieuwe vrijhandelsovereenkomsten, anderen in de toekomst de regels zullen dicteren – met lagere milieu- en sociale normen tot gevolg’. Daar valt niet veel aan toe te voegen.